Dion van Prusa, Rede 70, Over de filosofie
- 18 uur geleden
- 5 minuten om te lezen
(§1) Dio: Kom op, stel je eens iemand voor die zegt dat hij aan landbouw wilt doen. Op geen enkele manier zie je hem echter daarvoor een inspanning maken: hij koopt of voedert geen runderen, noch bouwt hij een ploeg of enig ander landbouwwerktuig. Zelf woont hij niet op een boerderij; hij bezit er ook geen, noch huurt hij er een van iemand anders. Maar in de stad slijt hij al zijn tijd in de omgeving van de markt en het gymnasion en tussen het vermaak van drinkbekers en courtisanes voelt hij zich thuis. Zou je dan eerder waarde hechten aan wat hij zegt dan aan wat hij doet? En zou je zeggen dat de man een hard werkende landbouwer is of iemand van de luie en nalatige soort?
-Hij behoort duidelijk tot de luie soort.
(§2) D.: Zeer goed. Stel dat iemand zou zeggen dat hij een jager is en Hippolytos zelf en Meleagros1 overtreft in dapperheid en werklust, maar hij blijkt helemaal niets gelijkaardigs te doen. Hij bezit ook geen honden, geen jagersnet, geen paard en vertrekt in 't geheel niet op jacht. Neen, zijn huid is niet gebruind onder de zon en vrieskou kan hij niet weerstaan. Hij schuwt het werk in openlucht, is teer en lijkt nog het meest op vrouwen. Zou jij nog enigszins kunnen aannemen dat die man de waarheid zegt en iets met de jacht te maken heeft?
-Dat kan ik niet.
(§3) D.: Het is immers verkeerd, wanneer je iemands levenswijze probeert te beoordelen en te doorgronden, af te gaan op zijn woorden eerder dan zijn daden. Stel dat iemand zich zou aanbieden als een uitermate onderlegd persoon in de muziek en beweert al zijn tijd daaraan te spenderen. Alleen hoort geen mens hem ooit op de kithara spelen en men ziet hem nooit een kithara of een lier vasthouden. Hij rept ook met geen woord over het onderwerp van de muziek, behalve dan dat hij het zogezegd 'beter weet dan Orpheus en Thamuris2'. Je zou hem daarentegen hanen en kwartels3 zien verzorgen en voederen, terwijl hij het meest van zijn tijd bij dat slag van mensen doorbrengt. Is het dan nodig hem te rekenen onder de kenners van de muziek of onder die mensen waarmee hij omgaat en met wie hij dezelfde interesses deelt?
-Het is duidelijk: bij dat laatste slag van mensen.
(§4) D.: Stel eens dat iemand je ten stelligste verzekert een astronoom te zijn en zegt te weten hoe de omloopbanen, de bewegingen en de afstand van zon, maan, sterren en andere hemelse fenomenen zich tot elkaar verhouden. Hij vertoont echter geen voorkeur in die richting, noch schenkt hij daar aandacht aan, maar eerder gaat hij om met gokkers en wordt op iedere gelegenheid gespot in omgang met hen. Ga je dan beweren dat hij een astronoom is of een gokker?
-Voor geen geld van de wereld zou ik hem associëren met astronomen, veel eerder met gokkers.
(§5) D.: Beeld je twee personen in. De ene zegt dat hij dadelijk gaat varen en veel winst zal boeken met zijn handelsvaart. Hij brengt echter geen schip in gereedheid, noch zoekt hij een bemanning of beschikt hij over een lading. Hij nadert ook in 't geheel de haven niet en de zee evenmin. De ander daarentegen is daarmee voortdurend bezig. Grondig inspecteert hij zijn schip, brengt een lading aan boord en zorgt voor een stuurman. Wie van de twee schenkt volgens jou zijn aandacht aan de handelsvaart? Hij die erover spreekt of hij die er mee bezig is en alles voorbereidt wat de zeereis en de handelstocht van hem vereisen?
-Volgens mij de laatste.
(§6) D.: Zou jij dus bij alles van mening zijn dat woorden alleen, niet bijgestaan door daden, geen enkele autoriteit of betrouwbaarheid in zich dragen, maar dat daden op zich betrouwbaar en waar zijn, ook als geen woord hen voorging?
-Zeker
D.: Zijn er dus bepaalde praktijken en instrumenten eigen aan de landbouw en de zeevaart en andere die passen bij het beroep van jager, astronoom of enig ander beroep, maar geen eigen praktijk, handeling of uitrusting voor de filosofie?
-Toch wel
(§7) D.: Maar wat eigen is aan de filosoof en de filosofie, is dat dan onbekend, waar het duidelijk voor de hand ligt wat eigen is aan de handelaars, de landbouwers, de muzikanten, de astronomen en de beroepen die ik zo-even nog noemde?
-Dat denk ik niet
D.: Dan zijn er toch wel bepaalde woorden die een filosoof horen moet, en leerstellingen die hij zich eigen moet maken en een levenswijze die hij dient te volgen. In het algemeen is er een ander leven voor de filosoof dan voor de rest van de mensen. Het is gericht op waarheid en op inzicht, verering en dienstbaarheid voor de goden, en op de soberheid en bezonnenheid van de eigen ziel, ver weg van valse praat, bedrog en luxe.
(§8) Voor de filosoof is er immers een ander kleed dan voor de gewone mensen, dat geldt zowel voor zijn tafelmanieren, als in het gymnasion, de baden en voor de rest van zijn levenswijze. De persoon die zich door dit onderscheid laat leiden en hiervan gebruik maakt, moet men beschouwen als iemand die zich bezig houdt met de filosofie. De man daarentegen die in geen van deze zaken onderscheid maakt en in 't geheel niet verschilt van de massa, mag niet bij de filosofen onderverdeeld worden. Zelfs niet als hij dat tienduizendmaal zou zeggen en zich zou uitgeven als filosoof ten overstaan van het Atheense volk, of dat van Megara of voor de Spartaanse koningen: men moet die man buiten wippen zoals bedriegers, dwazen en verwijfden.
(§9) Het is echter niet onmogelijk muzikaal te zijn zonder zich bezig te houden met de muziek. Want de muziek dwingt je niet ten volle je aandacht op haar te richten en aan niets anders meer waarde te hechten. Als iemand astronoom is, verhindert niets hem wellicht hanen te verzorgen of te gokken. Op geen enkele manier staat de astronomie iemand in de weg zijn plichten te verwaarlozen. Ook is het niet te verwonderen dat wie ruiter werd of stuurman of onderlegd is in de landmeetkunde of de letteren, gezien wordt in het gezelschap van courtisanes of fluitspeelsters. Met kennis van zake kunnen spreken over die disciplines maakt geenszins de menselijke ziel beter, noch wendt het de ziel weg van dwalingen. (§10) Wie zich daarentegen toewijdt aan de filosofie en zich inschrijft in haar leer, kan nooit afvallig worden van de schoonste dingen, en door hen te verwaarlozen verkiezen iets schandelijks en minderwaardigs te doen, of lui te zijn en zich aan delicatessen en dronkenschap over te geven. Dat soort aangelegenheden niet ten hemel prijzen, de ziel enerzijds wegleiden van dergelijke verlangens en haar anderzijds op weg helpen naar haat en veroordeling daarvan, dat is echte filosofie. Alleen verhindert wellicht niets dat mensen zich valselijk uitgeven voor filosoof, waardoor ze zichzelf en hun medemens bedriegen.
1 Hippolutos kennen we vooral uit de gelijknamige tragedie van Euripides, waarin hij gestraft wordt door Aphrodite. Hij offerde immers enkel aan de Godin van de jacht, Artemis. De Meleagrosmythe staat beschreven in Il. IX, 528-599: daar doodt hij een reusachtig zwijn, gezonden door Artemis.
2 Naast Orpheus, bekend om zijn betoverende muziek, voegt zich de figuur van Thamuris. In Il. II, 594-600 wordt vermeld hoe de muzen ene Thamuris zijn zangkunst ontnamen, omdat hij zich beter waande dan hen. Dit soort verwijzingen naar ons onbekende figuren uit de Homerische epen zijn typerend voor de tweede sofistiek.
3 Kwartels en hanen zijn beide gedomesticeerde vogels die gebruikt werden in competitieve gevechten, waarbij de ene de ander uit een cirkel moest drijven of met zijn stem overtreffen. Plato gebruikt deze 'kweeksport' relatief vaak ter vergelijking, zie bv. Lysis 211e.





Opmerkingen