Meneer, kunt u niet af en toe oplossingen aanbieden?

Vorige week kwamen na afloop van mijn college twee studenten naar mij toe. “Meneer, het is geen kritiek hoor, maar we hebben beiden het gevoel dat u nogal veel focust op problemen. Kunt u ook niet af en toe eens oplossingen bespreken?” Ik geef les aan burgerlijk ingenieurs. Deze opmerking had ik van mijlenver zien aankomen. Aan het begin van de lessenreeks had ik mijn studenten nochtans voorbereid. Ik had ze een gesloten probleem voorgesteld: hoeveel tijd doet een bal erover om een afstand van 30 meter af te leggen op een hellend vlak met een inclinatie van 30 graden - een herkenbaar type probleem voor hen waarvan ze eindeloos vele instanties hebben moeten oplossen in hun cursus fysica. Het bereik van mogelijke antwoorden op dit probleem is beperkt: een eindige hoeveelheid seconden. De strategie tot oplossing zit ook al verweven in de vraagstelling: de onbekende parameters voor het opstellen van een bewegingsvergelijking invullen en dan de berekening uitvoeren. Ik presenteerde hen daarna een ander type probleem - waarvan het bereik van antwoorden en de strategie tot oplossing niet vervat zaten in het probleem zelf: het vraagstuk “wat doen jullie hier?”


Dit vraagstuk creëerde in het auditorium eerst een lacherig rumoer. Maar na een tijd sloeg dat rumoer toch over tot een overpeinzende stilte. Het besef groeide bij de meeste studenten dat de eenvoud van het vraagstuk slechts schijn was. Ik had geen retorische vraag gesteld. Dit was een écht vraagstuk, één waarvan de studenten zelf moesten bepalen wat het antwoord was voor hen, onafhankelijk van vooraf vastgelegde parameters. Sommige vragen kun je wel stellen, maar kan je niet beantwoorden, alsof het antwoord extern is aan wie jij bent en hoe je in de wereld staat. Bij het vraagstuk over de bal is dat anders. Ik waarschuwde hen op het einde van de les: filosofie is frustrerend, omdat het gaat over problemen die je niet kunt oplossen zoals je het vraagstuk over de bal oplost. Misschien heb ik mijn studenten de laatste weken te veel gefrustreerd: wat kennis is, wat een goed argument is, wat wetenschap is, wat rationaliteit is, wat rechtvaardigheid is, hoe wetenschap een rol moet spelen in onze samenleving, het kon allemaal niet beantwoord worden alsof het antwoord onafhankelijk was van de vraag wie zij willen zijn. Eerst creëerde ik vraagstukken die ze zelf nog nooit hadden bedacht en vervolgens toonde ik aan dat ze niet “opgelost” konden worden. De frustratie moest wel komen: “Meneer, kunt u ook niet af en toe eens oplossingen bespreken?”


Het is een herkenbare vraag in de filosofische traditie. Ook Socrates’ gesprekspartners raken soms oeverloos gefrustreerd door Socrates’ weigering om eindelijk ook eens zelf positie in te nemen. Plato schrijft zijn dialogen ook zo dat Socrates ultiem altijd de dans ontspringt en als een volleerde worstelaar de frustratie van zijn gesprekspartners terug reflecteert als een probleem voor hen, en niet voor Socrates. In het echt lukt dat natuurlijk niet: Socrates werd netjes door de jury ter dood veroordeeld. Ook ik kon niet zomaar met een kwinkslag de gefrustreerde ingenieurs van mij afgooien. Hun vraag ging immers ook over mij: wat was ik aan het doen? Ik was niet zomaar de cursus aan het aframmelen voor een groep kinderen zodat deze op hun beurt de cursus konden aframmelen op een examen. Ik was hen filosofie aan het bijbrengen, zoals ik dacht dat filosofie betekenisvol was voor een ingenieur en voor een mens. Maar wat was die betekenis? De vraag van mijn studenten wierp mij terug op mezelf. Ik stond daar te bazelen: “Ja, ik begrijp jullie frustratie, maar dat is nu eenmaal niet wat ik denk dat de filosofie kan doen. Maar ik ga er rekening mee houden voor het vervolg van de cursus.” Geen bevredigend antwoord, noch voor hen, noch voor mij. Frustratie is echter vruchtbare grond. Ze vertelt ons iets.

Toen ik aan mijn doctoraat begon, was ik gefascineerd door de filosofie van Rudolf Carnap. Carnaps filosofie diende als instrument om het denken in de samenleving opnieuw “eigen” te maken: de reconstructie van het denken in formele logica toont welke keuzes vorm geven aan onze rationaliteit. Dat ideaal echter betekenis geven bleek niet alleen zeer moeilijk voor Carnap zelf, het bleek ook moeilijk voor mij. De eerste twee jaar van mijn doctoraatsstudies zag ik alleen mislukte pogingen om Carnaps filosofie betekenis te geven. Ik zag het ideaal mislukken voor mijn ogen, en ik zag mezelf mislukken. Geconfronteerd met die moeilijkheid is de meest voor de hand liggende optie om je idealen te historiseren: de historische omstandigheden bloot leggen waarin zo’n ideaal betekenis krijgt en vervolges vervalt in een betekenisloze routine. Zo kwam ik tot het schrijven van de geschiedenis van het logisch empiricisme. Dat is een inherent frustrerend project, omdat die geschiedenis (volgens mij) een geschiedenis van mislukking moet zijn. Maar waarom zou het schrijven over mislukking waardevol zijn? Welke betekenis draagt die handeling? Welke betekenis draagt de vlucht die een filosoof uitvoert naar het verleden van zijn eigen filosofische ideaal?


De geschiedenis van de filosofie schrijven is banaal. Elk denken, elke vraag, elke oplossing, elk concept heeft een ontstaan, uit het web van ontwikkelingen die eraan vooraf gingen. Door het bloot leggen van dat web verander je niets. Geschiedenis van de filosofie is een uitvlucht, een oefening in de irrelevantie. “Wat doen jullie hier?”, het was niet alleen een belangrijke vraag voor mijn studenten, om 8.30u op een vrijdag ochtend. Het was ook een vraag aan mezelf. Het is de enige vraag waarvan je nooit kan stoppen met ze te stellen - onophoudelijk stelt ze zichzelf opnieuw, omdat elke nieuwe handeling in het licht van wat je daarvoor gedaan hebt een nieuwe betekenis kan verwerven. De doelstellingen van ons handelen of ons denken tonen zich niet uit zichzelf aan ons - iedere mens draagt daar een onophoudelijke en onuitputbare verantwoordelijkheid over. Geschiedenis van de filosofie kan je uitvoeren in functie van die verantwoordelijkheid: als de geschiedenis van Carnaps filosofie één vraag naar voren schuift, dan wel de vraag naar de zinvolheid van logische analyse, een vraag die je niet in of met de logica kunt stellen. Evenzeer schuift de geschiedenis van logisch empirisme de vraag naar voren wat de zinvolheid is van wetenschapsfilosofie, opnieuw een vraag die je niet aan de hand van wetenschapsfilosofie kunt beantwoorden. Geschiedenis plaatst een wezen, een vorm van denken, een vorm van handelen op een afstand, toont het ontstaan ervan, legt de contingentie ervan bloot en roept de vraag op: waartoe dient hebt? Wat is het om x te zijn, x te denken, x te doen? Geschiedenis is het pad bij uitstek om die vragen te stellen die je niet kan beantwoorden, alsof het antwoord extern is aan wie je bent en hoe je in de wereld staat. Het historische perspectief kan alleen de vraag naar de zinvolheid opwerpen, maar kan er geen oplossing voor bieden. In tegenstelling tot het probleem over de valbeweging van de bal, kan de vraag naar de zin van wat we doen, wie we zijn en hoe we in de wereld staan, niet voor eens en voor altijd opgelost worden. Het probleem stelt zich altijd opnieuw.


Filosofie frustreert, niet alleen mijn studenten, maar ook mij. Geen enkele probleem opgelost, geen enkel idee verzekerd, geen enkel onderzoeksresultaat bereikt. Duizenden jaren lang niets anders dan spraakverwarringen en weerleggingen van ideeën die nooit geopperd zijn. Jaarlijks tienduizenden “wetenschappelijke” artikels die honderden verschillende kanten uitwijzen. Wie de filosofie benadert alsof zij oplossingen biedt voor puzzels, zoals de fysica of de wiskunde, kan niet anders dan vertwijfeld achter blijven met een hart vol teleurstelling. Ofwel dient filosofie voor antwoorden, maar kan je er alleen maar om lachen, ofwel dient filosofie voor iets anders. Carnap was hierin duidelijk: filosofie biedt geen antwoorden, er zijn geen filosofische puzzels, filosofie volgt niet de klassieke puzzel-oplossing structuur van het hedendaagse onderwijs, de hedendaagse wetenschap, de hedendaagse journalistiek, etc. Filosofie bewaakt de ruimte van ons leven die niet opgelost kan worden, de ruimte waarin het denken en het handelen zich toont als een open structuur, waarin er niets bepaald is, maar waarin bepaling nodig is. Filosofie is een deel van het leven zelf, en manifesteert zich anders voor zover de structuren van het leven veranderen. De onderliggende vraag in de filosofie van Socrates, Plato en Aristoteles is dezelfde als voor Carnap: hoe moeten we vorm geven aan ons leven? Socrates, Plato en Aristoteles stelden die vragen in de context van een falende, Atheense democratie, ten prooi gevallen aan hebzucht en ziek van een zoektocht naar roem. Carnap stelde die vraag in de context van een samenleving die werd gedreven door ingrijpende techno-wetenschappelijke kennis, zonder zich af te vragen wat het doel van deze kennis was.

Ik had de twee dappere studenten vorige week geen middelmatige tussenoplossing moeten aanbieden. Ik had hen moedig moeten antwoorden: ik kan filosofie alleen maar zo doceren. Oplossingen, die zie je in andere vakken. Ik leer jullie alleen vragen te stellen die niet op te lossen zijn, vragen te stellen die onophoudelijk terug zullen komen in jullie leven, als partner, ouder, leidinggevende, werknemer of vriend. Ik ben hier alleen om die ruimte open te houden die de zoektocht naar oplossingen constant wil dicht slaan. Dat ben ik aan het doen, of althans zo begrijp ik het.