Wittgenstein, altijd maar Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein werd geboren in 1889, Rudolf Carnap in 1891. Beiden studeerden natuurwetenschappen. Beiden kwamen op deze manier in contact met de logische studies van Gottlob Frege - een passie voor Frege’s symbolische goochelwerk deelden ze slechts met een handvol andere mensen in de wereld. Beiden vochten als jonge mannen aan Duits-Oostenrijkse zijde tijdens de eerste wereldoorlog. Beiden bewonderden de zoektocht van de Weense architect Adolf Loos om vormen in de bouwkunst van elk ornament te ontdoen. Beiden zagen in Loos’ zoektocht een parallel met hun eigen bekommernis, namelijk de zinvolle vraagstukken met een mogelijke oplossing af te scheiden van de zinloze vraagstukken die geen oplossingen konden hebben en dus slechts illusoire vraagstukken zijn. Beiden zochten na de oorlog naar een manier om uit te drukken welke de grenzen van betekenisvolle taal zijn. En beiden kondigden met hun ideeën een revolutie aan van de filosofie, een praktijk die in hun ogen verkeerdelijk bekommerd was om illusoire problemen (type: bestaan atomen echt?).



Toch vonden zij elkaar nooit. Tijdens hun eerste ontmoeting zat Wittgenstein in een kamer met zijn gezicht naar de muur. Wanneer Carnap binnenkwam, las Wittgenstein ongevraagd en zonder verdere uitleg wat gedichten van Tagore voor. Tot een uitwisseling van gedachten kwam het niet. Wittgenstein wou alleen mensen ontvangen in Wenen “die zijn hand vasthielden”, zoals een kind de hand van de schoolmeester vasthoudt - zo vertelde Carnap het jaren later. Vragen over Wittgensteins ideeën mochten bezoekers niet stellen. Men moest luisteren naar de meester en kon slechts sporadisch en bescheiden verzoeken om verhelderingen (Erläuterungen). Toen Wittgenstein er eindelijk, na wat aandringen van zijn omgeving, toch toe kwam het werk van Carnap te bekijken, kon hij enkel besluiten dat Carnap hem geplagieerd had. Excuses waren voor Wittgenstein noodzakelijk als de twee elkaar opnieuw wilden treffen. Dat was het einde van elke interactie tussen de twee liefhebbers van Frege.


In zijn autobiografie merkte Carnap op dat er slechts aan de oppervlakte een gelijkenis was tussen Wittgensteins filosofie en die van hem. Wittgensteins attitude was die van een profeet: hij wou dat zijn ideeën het object waren van bewondering en niet van debat. Carnap daarentegen wou dat zijn ideeën open stonden voor verandering; hij wou luisteren naar anderen, inzien waarom zij het anders zagen, wat er eventueel verbeterd kon worden. Filosofie in Carnaps ogen zou een wetenschap worden in die zin dat filosofie en wetenschap beiden de zoektocht naar een gemeenschappelijke consensus nastreven. Voor Wittgenstein stond filosofie mijlenver van de zoektocht naar consensus. Filosofie was geen activiteit van een gemeenschap, het was brute labeur van een eenzame geest. Na het schrijven van de Tractatus Logico-Philosophicus in 1918 meende Wittgenstein alle noemenswaardige problemen in de filosofie “voorgoed te hebben opgelost”. Wittgensteins stellingen waren volgens hem “onaantastbaar en definitief”. Filosofie was het meester-spreken van een profeet - iets dat je tot inzicht bracht, maar niet open stond voor bevraging.


Honderd jaar later is Wittgensteins profetische Tractatus het object van bewondering in verreikende domeinen en streken, vertaald in tientallen talen, op het curriculum van bijna elke filosofieopleiding ter wereld. Carnaps vroegste werk, Der logische Aufbau der Welt, kent een droeviger lot: slechts aan een handvol universiteiten ter wereld wordt het boek in donkere, muffe seminarieruimtes af en toe nog eens gelezen. In plaats van Wittgensteins onaantastbare en definitieve waarheid die in de Tractatus staat alsof het heilige woorden zijn, is Carnaps Aufbau, een uitnodiging om verder te denken over de plaats en betekenis van filosofie in de samenleving en over de grenzen van haar zinvolheid. Carnap besluit zijn voorwoord met de hoop dat zijn werk het begin mag zijn van een filosofische houding die de hele wereld dringend nodig heeft:


Het is een houding die overal helderheid opzoekt, maar ook steeds de niet volstrekt transparante vervlechting met het leven erkent, die elk individueel voorstel zorgvuldig overloopt zonder de blik op haar plaats in het grotere geheel te verliezen, noch de verbondenheid van alle mensen of de vrije ontplooiing van eenieder. Het geloof dat deze houding de toekomst toebehoort, draagt onze arbeid.

Komende vrijdag (4 maart) worden in Gent twee nieuwe vertalingen van Wittgensteins Tractatus gelauwerd door een allegaartje van Wittgenstein-bewonderaars die een hele dag lang de loftrompet zullen zingen van Wittgensteins genie en het vernuft noodzakelijk om dat genie te vertalen naar het Nederlands. De dag culmineert zelfs in een lezing van Jean-Paul van Bendegem voor een groot publiek. En ook daar is het doel de mensen te overtuigen om de profetische stellingen van Wittgenstein zo niet als verhelderend, toch wel zeker als interessant te beoordelen. Ondertussen zijn er drie vertalingen en drie uitgeverijen die simultaan het Nederlandstalige filosofie-publiek bedienen van Wittgenstein. Carnap is daarentegen niet in het Nederlands beschikbaar. Dat ligt niet aan de inhoud: zowel de Aufbau als de Tractatus zijn zo goed als onleesbaar voor de leek, zijn onbegrijpelijk zonder een historisch contextualisering van de geïntroduceerde ideeën en staan tjokvol logische symboliek waar zelfs hedendaagse specialisten nog dagelijks over struikelen. Het verschil tussen beide werken en hun aantrekkingskracht voor de moderne lezer ligt hierin: Wittgensteins tekst heeft de bedoeling bij de lezer een gevoel van grote diepzinnigheid op te wekken, Carnaps tekst wil elk gevoel van diepzinnigheid bannen. Waarom viert men komende vrijdag de Tractatus nog maar eens opnieuw? Welk beeld op filosofie viert men daarmee en wat hoopt men te bereiken met de promotie van dat beeld in het Nederlandse taalgebied in de 21ste eeuw? Wat hebben we nodig, Wittgensteins genie-mystiek of Carnaps gemeenschapsproject? Laten we hopen dat die vraag ook ruimte mag krijgen.